Zijn crises een oordeel van God over onze goddeloze cultuur?

Vraag:

Ik las pas Leviticus 26 over zegen en vloek. Ik vroeg me af hoe wij daar als  tegenwoordige gelovigen zoveel eeuwen later naar moeten kijken. Er staat nogal wat. Het  “Als jullie… dan zal Ik…”, is dat ooit ergens in de bijbel herroepen? Je leest hier een rechtstreeks verband tussen het houden van Zijn geboden en de gevolgen. Hoe is dat voor ons? En is er een verband tussen onze ongelovige, zondige en godslasterlijke samenleving en de crises die we meemaken? Kun je dat zien als een straf van God?

Reactie:

Het is indrukwekkend als je in Leviticus 26 leest welke straffen er op goddeloosheid, onrecht en zonden staan. God laat niet met zich spotten. De mensen die niet naar zijn wetten leven, zullen daarvoor gestraft worden. Daarbij is die straf bedoeld om mensen tot inkeer te brengen (vers 41).

Je bent geneigd om – als je om je heen oorlogen, uitputting van de aarde, lijden en zinloosheid ziet – je af te vragen of wij vandaag onder zo’n goddelijke straf leven.

Het antwoord is: Ja. Er is een sterk verband tussen goddeloosheid en onrecht van de mensen en problemen in de wereld. Veel grote problemen op aarde zijn direct of indirect te herleiden tot menselijke fouten, hoogmoed of onrechtvaardigheid. De waarschuwing van God geldt nog steeds: wie zich niet aan zijn Woord houdt, zal de gevolgen daarvan ondervinden. Als mensen zich niet voor Hem verootmoedigen, zal het oordeel alleen maar doorgaan. Dit is in het Nieuwe Testament niet anders (zie bijvoorbeeld 2 Korintiërs 5:10 over individuele zonden en 2 Petrus 3:7 over het kwaad in de wereld als geheel).

Je kunt niet altijd direct een verband tussen zonden en problemen aanwijzen. Ook in de Bijbel worden zonden niet altijd direct bestraft. Denk aan de aan de vertwijfelde vraag in Psalm 73: Waarom gaat het met de goddelozen zo goed en met de rechtvaardigen zo slecht? Denk ook aan Job, die veel rampen meemaakte en daar niets van begreep omdat hij rechtvaardig leefde.

Er is wel verschil tussen de tijd van Leviticus en onze tijd. Om welke geboden gaat het? In Leviticus gaat het over alle wetten die in dat bijbelboek zijn beschreven: offerwetten, wetten over de feesten, sociale en hygiënische wetten. Die wetten gelden niet meer op dezelfde manier voor ons. De komst van Jezus Christus heeft veel veranderd. Hij heeft de wet vervuld en de straf op de zonde gedragen. Sinds de uitstorting van zijn Geest is het volk van God niet meer beperkt tot één volk, maar wordt het gevormd door de gelovigen uit alle volken. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt dit beschreven in artikel 25. Daar wordt onder andere verwezen naar Matteüs 5:17 (Ik ben niet gekomen om de Wet en de Profeten af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen); Romeinen 10:4 (De wet vindt zijn doel in Christus, zodat ieder die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard); Galaten 3:25 (Nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht van de wet). Niet alle bepalingen van de wet gelden meer voor ons (zie ook Handelingen 5:19; Romeinen 14:5; Galaten 5:13). Tegelijk blijft staan dat God vraagt om geloof in Jezus Christus, om liefde voor God en mensen, om bekering van afgoderij en egoïsme en om een goede omgang met elkaar en met de schepping.

Kortom: Ja, goddeloosheid en zonden roepen Gods oordeel op, ook vandaag. Dat raakt ons ook persoonlijk: wij doen mee met de uitbuiting van de schepping, met het in stand houden van onrecht, met het buitensluiten van mensen, met het dienen van afgoden als rijkdom, genot, macht en seks. God laat dat zeker niet ongestraft. Als je de gevolgen ervan ondervindt, is dat een reden om je te bekeren. Maar belangrijker: breng je zonden bij de Heer Jezus Christus en vraag om vergeving. Want Hij heeft het oordeel van God over onze zonden gedragen en ons daarmee bevrijdt van de straf.

Er is nog veel meer over te zeggen, maar ik laat het eerst hierbij.

Worden onvruchtbare ranken weggesneden of opgebonden? Hoe moet je Johannes 15:2 vertalen?

Vraag:

Laatst hoorde ik in een lezing dat Johannes 15:2 beter op een andere manier vertaald kan worden. In de HSV en NBV staat: ‘Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg.’ Volgens de spreker moet het anders vertaald worden: ‘Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, bindt Hij op.’ Zoals een wijnbouwer de jonge ranken die op de grond liggen, niet afsnijdt, maar opbindt zodat ze meer licht en lucht krijgen en alsnog vrucht gaan dragen.

De strekking is dan: als je nu nog geen vrucht draagt, laat de Heer je niet vallen, maar geeft Hij tijd en ruimte om vrucht te gaan dragen. Een prachtige toepassing. Maar klopt zijn vertaling inderdaad?

Reactie:

Dit is een mooie vraag en een interessant punt. Het maakt nogal verschil of de onvruchtbare rank wordt weggesneden of wordt opgebonden. Zeker in de toepassing: wordt iemand die nog geen vrucht draagt van de wijnstok afgesneden (oordeel) of krijgt die meer tijd en begeleiding om tot vrucht te komen (leiding)? Dat laatste is natuurlijk een mooie boodschap!

Ik heb geprobeerd om het uit te zoeken. Het werkwoord ‘airo’ betekent meestal optillen. Maar of het optillen is om weg te snijden of om op te binden is natuurlijk een volgende vraag. In theorie zijn beide vertalingen mogelijk. De meeste vertalers en uitleggers kiezen echter bewust voor ‘wegsnijden’. Daarvoor hebben ze de volgende argumenten:

  • Deskundigen vertellen mij dat het werkwoord ‘airo’ in de praktijk van de wijnbouw specifiek wordt gebruikt om onvruchtbare loten te snoeien. Het schijnt in die sector een technische term te zijn. Ik kan dat niet controleren, maar als zij dat zeggen zal het wel zo zijn.
  • In de tekst worden twee activiteiten van de wijnbouwer benoemd: wegnemen (afsnijden) en krenten (reinigen). Bij dat laatste staat als doel omschreven: ‘opdat de rank meer vrucht draagt’. Bij het eerste staat geen doel omschreven. Daarom ligt het niet voor de hand om hier aan een positieve activiteit te denken.
  • In Johannes komt het werkwoord ‘airo’ vaker voor, ook in negatieve zin (1:29 en 19:15). Het betekent dan iets als weggooien of wegdoen.
  • In Johannes 15 komt het oordeel nadrukkelijk voor (bv vers 6). Dat komt omdat het de laatste avond van Jezus is, waarin Hij met klem oproept om bij Hem te blijven en je door Hem te laten voeden. Het ongeloof en de verwerping zullen leiden tot de kruisiging van Jezus. Het is logisch dat iets van de ernst hiervan in het beeld van de wijnstok en de ranken terugkomt. De gewenste vrucht voor wie zich aan Jezus verbindt, is aanvaarding en dienstbaarheid. Wie daar niet toe komt, die valt onder Gods oordeel.

Vertalers en uitleggers kiezen allemaal voor de vertaling ‘wegnemen’. Daarom geef ik daar zelf de voorkeur aan. Maar aan beide vertalingen is een goede uitleg te geven die past binnen het geheel van de Bijbel. In alle gevallen is het duidelijk dat verbinding met de ware wijnstok – Jezus Christus – beslissend is voor je leven en ook voor de vrucht van je leven.

Paradijs of hel? Waar ging Jezus heen na zijn dood?

vraag:

In de dienst op Goede Vrijdag kwamen twee dingen bij elkaar. We lazen in Lukas 23:43 dat Jezus aan het kruis tegen de moordenaar naast zich zegt: ‘Nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn’. En in dezelfde dienst werd de Apostolische Geloofsbelijdenis voorgelezen, waarin staat dat Jezus ‘is gekruisigd, gestorven, begraven, neergedaald in de hel’. Dat roept de vraag of: ging Jezus na zijn sterven aan het kruis nu naar het paradijs of naar de hel?

reactie:

Mooie vraag! Zo klinkt het inderdaad wel als een bijzondere tegenstelling. Waar ging Jezus heen? Laten we beide uitspraken eens bekijken:

‘Neergedaald in de hel’.

Deze uitspraak komt in de Bijbel niet voor. Het is een interpretatie van 1 Petrus 3:19, maar die tekst geeft dit niet heel duidelijk aan. Waarom deze woorden een plek hebben gekregen in de Apostolische Geloofsbelijdenis, is niet helemaal duidelijk.

Er zijn een paar interpretaties van wat het zou kunnen betekenen:

  • De Rooms-Katholieke uitleg: Jezus is na zijn sterven afgedaan in het dodenrijk om daar de zielen van de oudtestamentische gelovigen te bevrijden.
  • De Lutherse uitleg: Jezus is na zijn begrafenis naar de hel gegaan en heeft daar de duivel zijn macht ontnomen.
  • De Gereformeerde uitleg: ‘de hel’ is geen concrete plek waar Jezus heengegaan is. Het is een typering van de angst en godverlatendheid die Jezus heeft ervaren. Het lijden en sterven van Jezus was ‘hels’.

Nog vandaag in het paradijs

‘Het paradijs’ is hier een andere aanduiding van ‘Gods koninkrijk’, waar de moordenaar naar vraagt (23:42). Dat Jezus dit vervangt door ‘het paradijs’ betekent voor de moordenaar een diepe troost: na zijn dood zal hij – met vergeving voor zijn moord en andere zonden – in nieuwe onschuld en vreugde voortleven bij God, samen met Jezus. Dit geldt direct vanaf zijn dood (‘vandaag nog’), ook al betreft dit nog niet zijn lichaam dat pas weer zal opstaan bij de wederkomst van Jezus.

Ook Paulus spreekt hiervan, bijvoorbeeld in Filippenzen 1:23: ‘Als ik sterf zal ik met Christus zijn’. In Lukas 16:22 laat Jezus er trouwens ook iets van zien door in een gelijkenis te vertellen dat de arme Lazarus ‘door engelen werd weggedragen om te rusten aan Abrahams hart’.

Er is wel geprobeerd om ‘vandaag’ op te vatten als: ‘Ik zeg u vandaag: U zult met mij in het paradijs zijn’. Dan is er ruimte om ‘het paradijs’ op te vatten als de nieuwe aarde in de toekomst. Deze opvatting is vanuit de grondtekst niet zo sterk. Het woord van Jezus krijgt nog meer kracht als je bedenkt dat dit door de ene gekruisigde tegen de andere wordt gezegd: ‘Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn!’

Over beide uitdrukkingen bestaan dus veel verschillende meningen. Voor mezelf houd ik het erop dat Jezus aan het kruis ‘de hel’ heeft ervaren in het oordeel van God en dat Hij na zijn dood ‘het paradijs’ is binnengegaan, terwijl zijn lichaam nog in het graf lag. Ik schrijf dit met enige schroom. Zo letterlijk staat het allemaal niet in de Bijbel en wij gebruiken ons beperkte en menselijk voorstellingsvermogen om er iets over te zeggen.

Sabbat en huwelijk als ‘bloemen uit het paradijs’?

Vraag:

In je preek noemde je sabbat en huwelijk de meegegeven ‘bloemen uit het paradijs’. Zou je kunnen uitleggen wat je daarmee precies bedoelt? En wat dat betekent voor hoe wij met huwelijk en sabbat moeten omgaan?

Reactie:

Het beeld van ‘bloemen uit het paradijs’ kwam ik tegen bij een schriftuitlegger. Het sprak mij erg aan. Sabbat en huwelijk zijn twee ‘structuren’ die God vanuit het paradijs heeft meegegeven aan de mens. Beide structuren zijn geen ingeschapen natuurkundige of biologische wetten (zoals bijvoorbeeld zwaartekracht of seksualiteit), maar bewuste instellingen van God, bedoeld voor het leven.

God stelde in het paradijs de rustdag in: ‘God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig’ (Gen.2:3). Later wordt de sabbat in de Bijbel vaak gemotiveerd vanuit de schepping (Ex.20:11; 31:16; Mark.2:27; Heb.4:4).

God stelde in het paradijs het huwelijk in: ‘God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper maken die bij hem past’ (Gen.2:18) ‘Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt’ (Gen.2:24). Ook het huwelijk wordt later in de Bijbel gemotiveerd vanuit deze goddelijke instelling (Mat.19:4-6; 1 Kor.6:16; 11:12; Ef.5:31; Heb.13:4).

Sabbat en huwelijk zijn sociale ordeningen die al in het paradijs door God zijn aangebracht. Ze zijn ook direct verbonden aan het verbond tussen God en mensen. De sabbat als viering van dat verbond, het huwelijk als beeld van dat verbond. Na de zondeval zijn ze meegegeven aan de mens. Vandaar de beeldspraak van ‘bloemen uit het paradijs’.

Aan ons de taak om na te denken hoe die structuren bedoeld zijn, hoe ze zich ontwikkeld hebben (van sabbat naar zondag bijvoorbeeld), welk doel ze dienen en hoe we ermee omgaan in een gebroken wereld en in de gemeente van Christus. Zowel op het punt van sabbat als van huwelijk is veel discussie in de kerk en in de maatschappij. Als ik wat vragen noem over het huwelijk: Wanneer is een huwelijk een huwelijk? Hoe ligt dat bij mensen van hetzelfde geslacht? Is samenwonen van dezelfde orde als een huwelijk? Hoe moet je aankijken tegen echtscheiding?

Het omgaan met dit soort vragen vraagt om studie, gebed, zorgvuldigheid en gesprek. Je bent er niet met een simpele uitspraak dat we de situatie in het paradijs moeten nastreven. Daarmee doe je geen recht aan het onderwijs in de Bijbel en ook niet aan de realiteit vandaag. Dit is niet te plek om daar meningen over te geven, als ik die al zou hebben. Waar het mij om gaat, is dat we er – ondanks alle discussie en variatie – oog voor blijven houden dat sabbat en huwelijk echt ‘bloemen uit het paradijs’ zijn: structuren die we van God hebben meegekregen, die aan je levenspraktijk de kleur van God geven. Aan ieder de opdracht om er een goede invulling aan te geven die tot zegen is voor jezelf en voor anderen.

Is ongastvrijheid dé zonde van Sodom en Gomorra?

Is ongastvrijheid dé zonde van Sodom en Gomorra?

In de preek over gastvrijheid zei u dat de ongastvrijheid van Sodom en Gomorra de oorzaak was van Gods oordeel. Waar baseert u dat op? Waren er geen grotere zonden?

Ik heb de bijbelse argumenten voor mijn conclusie op een rijtje gezet: klik hier Ongastvrijheid.

Mijn conclusie luidt: Niet voor niets voeren de engelen op het punt van gastvrijheid een ‘test’ uit in Sodom om de goddeloosheid van de inwoners te meten (Gen.18-19). Er is in de Bijbel meer te lezen over de de zonde van Sodom en Gomorra. De ongastvrijheid blijkt samen te hangen met een slechte levenspraktijk in allerlei opzichten, waardoor onbeschrijfelijk veel onrecht en schade ontstaat onder kwetsbare mensen. Dit laat God niet ongestraft gebeuren. Deze ongastvrijheid is direct verbonden aan goddeloosheid. Er is in de Bijbel sprake van ‘gastvrijheid als heilige praktijk’. Dus ja: ongastvrijheid is de zonde van de Sodomieten waarom God zijn oordeel over hen voltrekt. Het is belangrijk dat christenen en kerken in het Westen zich toeleggen op gastvrijheid, niet alleen als buitenkant, maar vanuit de nieuwe identiteit in Jezus Christus.

Heeft een eunuch een hoge stem?

Heeft een eunuch een hoge stem?

In de preek over Handelingen 8 noemde u terloops dat een eunuch een hoge stem heeft. Klopt dat medisch gezien ook?

Het woord ‘eunuch’ betekent letterlijk ‘gesnedene’, dat wil zeggen ‘gecastreerde’. Het is bekend dat gecastreerde slaven in het oosten werden ingezet in de bewaking en bediening van de vrouwen in het paleis. Het zou kunnen zijn dat het woord ‘eunuch’ later een aanduiding werd voor hoge ambtenaren aan het hof, die niet persé gecastreerd hoefden te zijn. Maar toch wordt hier in het algemeen wel vanuit gegaan. In de Bijbel komen we de eunuch tegen in Handelingen 8, maar ook in Ester 2.

In Levitikus 21:20 is bepaald dat een eunuch niet aan de tempeldienst mocht meedoen. Voor hen staat in Jesaja 56:3-5 een bijzondere belofte dat een eunuch die de Heer dient, iets beters krijgt dan zonen en dochters: een eeuwige naam in de tempel van God.

Castratie wordt in onze cultuur eigenlijk alleen toegepast op medische gronden en bij volwassen mannen. Behalve onvruchtbaarheid wordt ook de productie van mannelijke hormonen geremd. Als castratie wordt uitgevoerd vóór de puberteit, blijft de stem hoog, komt er geen haargroei en zal de eunuch minder lust tot seks en agressie hebben. In het verleden werd in het Westen castratie wel eens toegepast bij goede jongenssopranen, die daarmee beroemd konden worden.

Het treft dat de eunuch in Handelingen 8 Jesaja 53 aan het lezen is. Het kan haast niet anders dan dat hij zichzelf in die woorden herkent: ‘als een schaap naar de slacht geleid, vernederd, geen toekomst op aarde’. Daardoor krijgt de verkondiging van Jezus Christus voor hem een bijzondere klank: Jezus heeft ook zíjn lijden op zich genomen. Als hij Jezus volgt, krijgt zijn leven een nieuwe wending.

Toeval bestaat niet. Of toch wel?

Vraag:

Het viel mij op tijdens het lezen van Ruth 2:3, dat er staat: ‘Het toeval wilde dat de akker waar ze kwam van Boaz was’. De HSV vertaald: ‘Zij ging op weg en kwam op de akker van Boaz. Dit overkwam haar’. In ons spraakgebruik zeggen we vaak: Toeval bestaat niet! Het is toch de leiding van de Heer? Waarom staat dat er dan niet?

Reactie:

In de Bijbel wordt wel eens vaker het woord ‘toevallig’ gebruikt. Zelfs Jezus zegt in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan: ‘Toevallig kwam er een priester langs’ (Lukas 10:31). Deze vertaling is correct, net als in Ruth 2:3.

Onder toevallig verstaan wij dat bepaalde dingen tegelijk gebeuren of dat mensen elkaar ontmoeten, zonder dat dit door ons georganiseerd is. Dat geeft verrassing en soms een ongedacht gesprek. In de Bijbel wordt vaak gewone taal gebruikt. Daarom kun je het woord ‘toeval’ zomaar tegenkomen.

Dat achter zulke ‘toevalligheden’ Gods leiding ligt, staat hier niet haaks op. Dat wordt in Ruth 2:20 ook erkend als Noömi de ontmoeting van Ruth en Boaz verbindt aan de trouw van God. Dat wij dingen als toevallig ervaren, betekent niet dat dit voor God ook toevallig is. Soms zien ook wij achteraf dat er sprake is van een bedoeling.

Het gezegde: ‘Toeval bestaat niet’ wordt niet alleen door christenen gebruikt. Mensen drukken ermee uit, dat er altijd een bepaalde oorzaak of wetmatigheid achter gebeurtenissen zitten. Voor christenen heeft het te maken met de leiding van God in het leven. Sommige gelovigen vinden dat je het woord ‘toevallig’ niet mag gebruiken, omdat in zondag 10 (Heidelbergse Catechismus) staat dat alle dingen ‘niet bij toeval, maar uit Gods vaderhand ons ten deel vallen’. Daarbij wordt verwezen naar bijvoorbeeld Spreuken 16:33, waarin staat dat de Heer zelfs de uitkomst van het lot bepaalt.

Maar zoals in de Bijbel over toeval gesproken wordt, zo kunnen wij het ook gebruiken. Als we maar blijven beseffen dat binnen Gods bestuur de dingen nooit compleet toevallig zijn.

Scheen de zon op de dag van de opstanding?

Vraag:

Wat een feestelijke preek met Pasen! Toch heb ik een vraag over de zon op die dag. U zei dat de zon die dag scheen. Maar staat dat zo in de Bijbel? En kunt u ook aangeven waar in de Bijbel de ‘zon’ vaker als beeld van Christus wordt gebruikt?

 Reactie:

Pasen is een ‘hoogfeest’ voor christenen. Je kunt er beter over zingen, dan erover preken. Maar  preken moet ook gebeuren. Ik koos voor mijn preek de invalshoek dat de vrouwen bij het graf aankwamen bij zonsopgang. Dat staat letterlijk in de Bijbel, maar is in de Nieuwe BijbelVertaling niet helemaal duidelijk.

In de NBV staat in Markus 16:2: ‘Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf’. Maar letterlijk staat er: ‘Zeer vroeg op de eerste van de week komen zij aan bij het graf, bij het opgaan van de zon.’ (vertaling Naardense Bijbel).

De zon gaat dus op als de vrouwen bij het graf aankomen. Dit kun je lezen als een zakelijke mededeling: de dag begint. Toch denk ik dat die dag echt met zonneschijn begonnen is, anders had Markus het vast anders gezegd, bijvoorbeeld ‘toen het licht werd’ of ‘toen de dag aanbrak’.

Ik ben er ook van overtuigd dat Markus dit detail niet zonder reden noemt. Hij typeert er ook iets van het feestelijke van de Paasmorgen mee.

 In de preek heb ik dit als invalshoek gebruikt, om iets over de betekenis van de opstanding te zeggen. Wat ik verder zeg over de zon die het kruis, het graf en de wereld verlicht, is niet letterlijk bedoeld. Het is een poëtische insteek om iets te kunnen zeggen over de betekenis van de opstanding van Jezus.

Dat Christus (of God) in de Bijbel vaker als ‘zon’ en als ‘licht’ wordt aangeduid, zie je bijvoorbeeld in :
Ps 84:11 Want God, de HEER, is een zon en een schild.
Mal 4:2 Maar voor jullie die ontzag voor mijn naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt.
Joh 1:9  Het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam.
Joh 8:12  Jezus zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’
Mt 17:2  Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht.
Efe 5:14  Daarom staat er: ‘Ontwaak uit uw slaap, sta op uit de dood, en Christus zal over u stralen.’
Opb 1:16 Zijn gezicht schitterde als de felle zon.

 

 

Heeft Jezus het tempelplein twee keer op de kop gezet?

Vraag:

De tempelreiniging wordt in alle vier evangeliën beschreven (Mat.21, Mark.11, Luk.19 en Joh.2). Maar het verhaal van Johannes wijkt erg af van de andere drie. Hoe moet je dat zien? Heeft Jezus dit twee keer gedaan?

Reactie:

Inderdaad wijkt de beschrijving van Johannes behoorlijk af van de andere evangelisten: Hij spreekt van het verdrijven van de handelaren en het vee. In de andere evangeliën wordt het vee niet genoemd, maar de klanten weer wel. Johannes vertelt dat Jezus spreekt over de tempel als markt. In de andere evangeliën noemt Jezus de tempel een rovershol. Johannes noteert de bekende uitspraak van Jezus over zijn lichaam als tempel. En vooral: Johannes plaatst dit aan het begin van Jezus’ optreden, terwijl het in de andere evangeliën heel duidelijk in de laatste week plaatsvindt.

Er zijn twee oplossingen denkbaar:

  1. Johannes heeft de gebeurtenissen vrij verteld en in zijn verhaal een andere plek gegeven. Je moet zijn evangelie niet chronologisch lezen. Het gaat om zijn interpretatie van de gebeurtenissen.
  2. Er zijn twee momenten geweest waarin Jezus het tempelplein heeft leeggeveegd.

Oplossing 1 is niet onmogelijk. Het bezwaar is echter dat Johannes meestal precies is in de datering van de gebeurtenissen. Bovendien ontbreekt de bijzondere sfeer van de laatste week waarin de andere evangelisten dit verhaal vertellen. Het gevolg van deze oplossing is, dat we Johannes minder serieus nemen in de betrouwbaarheid van zijn verhaal.

Oplossing 2 lijkt in eerste instantie onwaarschijnlijk: Jezus zal toch niet twee keer het tempelplein leeggeveegd hebben? Toch is het wel denkbaar dat Jezus aan het begin van zijn optreden een duidelijk signaal gaf over zijn opdracht en aan het einde van zijn optreden iets van Gods oordeel liet merken over de onvruchtbare tempeldienst.

Ik voel zelf het meest voor oplossing 2. Bij het voorbereiden van een preek concentreer ik mij altijd op hoe een evangelist het zelf vertelt, waarbij ik gegevens uit de andere evangeliën uiteraard wel bekijk. Maar in een preek zal ik me niet richten op vergelijkingen of verschillen, maar proberen de strekking van het bijbelverhaal zelf naar voren te brengen.

Is God alleen trouw aan wie Hem vrezen?

Vraag:

In de nieuwjaarsdienst ging het over de trouw van God (bij Psalm 103:17). Je gaf dat mooi inhoud met de uitwerking van ‘Gods vriendschap’. Maar in deze psalm lijkt het erop dat deze vriendschap van God alleen van toepassing is op wie Hem vrezen. Kortom: is de trouw van de Here afhankelijk van onze eerbied voor Hem?

 Reactie:

Als je het zo scherp stelt is het antwoord ‘nee’. Gods trouw is niet afhankelijk van ons geloof. Zo sterk en goed is ons geloof niet. Bovendien komt zelfs ons ontzag voor God niet uit onszelf voort, maar wordt het door Gods Geest gewerkt.

Het probleem is echter, dat je deze psalm (en ook andere teksten) niet zomaar in dit scherpe dilemma kunt drukken. Deze psalm gaat niet over de vraag aan wie God wel of niet trouw is en wat dat dan betekent. Deze psalm schetst ons de HEER die – tegenstelling tot de kwetsbaarheid en schuld van de mens – liefdevol en trouw is. Zijn trouw duurt langer dan ons leven op aarde! Onder deze belofte leeft een mens die God vreest (wat in deze psalm wordt ingevuld met het bewaken van het verbond, het leven naar Gods geboden en het prijzen van de HEER). Gods belofte van trouw roept ook onze toewijding en geloof op.

Er ligt in de verbondenheid tussen God en mensen altijd een wonderlijke samengaan van Gods initiatief en gezamenlijke verantwoordelijkheid. God zoekt het contact en reageert in liefde op mensen die hem zoeken. Hij laat hen niet vallen als ze in zonde vallen of Hem tekort doen. Tegelijk wordt de relatie niet hersteld zonder verootmoediging en vergeving in Christus. Het beeld van een sterke vriendschap geeft volgens mij een mooi perspectief op de trouw van God. De relatie tussen God en mensen bestaat niet uit formele rechten en plichten, met een automatisch verlopend mechanisme van actie en reactie. De HEER verbindt zich aan mensen en gaat binnen dat verbond een samenleven aan van liefde en wederzijdse toewijding. Dat dit niet vanzelfspreekt, is duidelijk. Dat dit ook niet automatisch goed blijft gaan, is ook duidelijk. Het vraagt om onze eerbied en trouw.