Liep Gabriël door de straten van Nazaret?

Vraag:

U zei in uw adventspreek dat de engel Gabriël ‘door de straten van Nazaret liep en het huisje van Maria binnenging’. Maar dat staat toch nergens? Voegt u dan niet iets van uzelf toe aan het bijbelverhaal?

Reactie:

Bij het eerste bericht dat Gabriël moet brengen bij Zacharias staat: ‘opeens verscheen hem een engel van de Heer aan de rechterkant van het reukofferaltaar’ (Luk.1:11). Maar bij het tweede bericht staat eerst dat God de engel naar de stad Nazaret zond (Luk.1:26) en vervolgens dat Gabriël ‘het huis van Maria binnenging’ (Luk.1:28). Nu kan een engel natuurlijk op verschillende manieren een huis binnengaan. Toch roept deze woordkeus het beeld op dat de engel gewoon door de deur binnenloopt. Ik vond dat opvallend. Om het verschil te benadrukken zei ik: ‘Deze engel verschijnt niet ineens, maar loopt door de straten van Nazaret en gaat het huisje binnen waar Maria is.’ Wellicht is dit een iets ander beeld van een engel, dan wij gewoonlijk hebben. Dat gebeurt wel vaker. Zo staat bij deze verschijningen bijvoorbeeld ook niet dat de engel stralend wit was en vleugels had. Het wordt zo wel afgebeeld op schilderijen en kinderbijbelplaten. Zeker bij deze verschijning van Gabriël aan Maria vraag ik me af of hij zo’n stralende verschijning was. Dit is inderdaad mijn invulling. Met mijn suggestie dat de engel door de straten van Nazaret loopt, heb ik geprobeerd om de Bijbeltekst recht te doen. Ik werd hierop overigens geattendeerd door de opmerkingen van prof. dr. J. van Bruggen in zijn commentaar op Lukas.

Is Jezus de eerste mens in de hemel?

Vraag:

In uw preek over zondag 18 zei u heel stellig: Met Jezus is de eerste mens met een lichaam de hemel binnengekomen. Maar hoe zit het dan met Henoch, Mozes en Elia uit het Oude Testament? In de Bijbel lezen we toch dat zij door de Heer werden opgenomen zonder te sterven? Zijn hun lichamen dan niet in de hemel?

Reactie:

Leuk, zo’n oplettende vraag! Ik baseer mijn stelling op de uitspraken uit de Bijbel dat Jezus de ‘eerstgeborene van de doden’ wordt genoemd (Openb.1:5, Kol.1:18, 1 Kor.15:20, Hand.26:23), waarbij ‘eerste’ niet alleen de ‘belangrijkste’ kan betekenen. Verder wordt in Hebreeën meermalen van Jezus gezegd dat hij de hemel is doorgegaan tot de troon van de Vader (Heb.1:6, 4:14; 6:20; 8:1; 9:24). Verder baseerde ik mij op de zin uit de Heidelbergse Catechismus dat wij ‘in Jezus ons vlees in de hemel hebben tot een onderpand’ (HC v/a 49, met verwijzing naar Joh.14:2-3; Joh.17:24). Deze uitspraken zijn alleen over Jezus te doen en niet over iemand anders.

We weten uit de Bijbel dat er vóór Jezus ook mensen uit de dood zijn opgewekt: drie personen uit het OT, drie personen door Jezus, plus de mensen die bij het sterven van Jezus weer uit hun graven kwamen (Mat.27:52). Zij kwamen echter weer ‘terug’ op aarde en zullen vroeg of laat opnieuw gestorven zijn.

Daarnaast zijn er de genoemde voorbeelden van mensen die de dood overgeslagen lijken te hebben. Dat geldt trouwens niet voor Mozes: In Deut.34:5-6 staat dat hij stierf en dat zijn lichaam door de Heer werd begraven. Van Henoch lezen we dat de Heer hem wegnam (Gen.5:24), zelfs dat hiet hoefde te sterven (Heb.11:5). Van Elia lezen we dat hij door een wagen met paarden van vuur werd meegevoerd naar de hemel (2 Kon.2:11) en dat mensen, ondanks een zoektocht, zijn lichaam niet konden vinden. Henoch en Elia hebben zijn dus niet gestorven zoals dat voor alle mensen geldt.

Waar de lichamen van Henoch en Elia zijn, is onduidelijk. Joodse en christelijke theologen hebben er veel theorieën over ontwikkeld. In ieder geval hebben Henoch en Elia niet het nieuwe, verheerlijkte lichaam dat Jezus na zijn opstanding had. Jezus is de enige die aan de andere kant van de dood weer is opgestaan en daarin een verheerlijkt en onvergankelijk lichaam heeft gekregen (vgl. 1 Kor.15:53-54) als belofte van onze lichamelijke opstanding (zie HC v/a 57).

Op grond van deze overwegingen stelde ik dat Jezus als eerste mens met een lichaam de hemel is doorgegaan tot de troon van God. Hij had daartoe ook het recht door zijn overwinning. De vraag naar de lichamen van Henoch en Elia kan ik op grond van de Bijbel niet beantwoorden. Maar zij zijn Jezus niet voorgegaan en zullen naar mijn overtuiging voor de verheerlijking van hun lichaam ook moeten wachten op de jongste dag.

Geen ongelijk span met ongelovigen (2 Kor.6:14)?

Vraag:
Wat is de betekenis van 2 Kor.6:14-18 (‘Vorm geen ongelijk span met ongelovigen.’)? Betekent dit bijvoorbeeld dat je als christen-jongere geen lid kunt zijn van een niet-christelijke voetbalvereniging en dat je zo weinig mogelijk moet samenwerken met ongelovigen?

Reactie:
De uitleg van 2 Kor.6 (‘loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen’) begint bij de hoofdlijn van het betoog van Paulus. In het eerste hoofddeel van de brief (2:14-7:4) belicht Paulus zijn apostelschap. Zijn relatie tot de gemeente in Korinte was verstoord. Hij sluit dit gedeelte af met een aantal opmerkingen over de wederkerige betrokkenheid tussen de Korintiërs en hemzelf (6:11-7:4).
Paulus merkt op dat hij een groot hart heeft voor de gemeenteleden, maar dat zij juist enghartig zijn naar hem (6:11-13). Hij ziet dat als oorzaak van de verstoorde relatie. Daarna waarschuwt Paulus scherp voor het vormen van een ongelijk span. De beeldspraak is bekend uit Lev.19 mbt het inzetten van dieren in de akkerbouw. Paulus gebruikt het hier overdrachtelijk. De vraag is wie hier met ‘ongelovigen’ worden bedoeld.
Er bestaat een uitleg die onder ‘ongelovigen’ alle niet-christenen verstaat. De conclusie zou dan moeten zijn dat gelovigen zo weinig mogelijk met niet-christenen zouden moeten samenwerken. Een oproep om zich te isoleren van de maatschappij is echter niet in overeenstemming met wat Paulus elders schrijft (1 Kor.5:10; 7:12-14; 10:27). Het past ook niet in de lijn van de brief en verklaart niet de heftigheid van zijn waarschuwing. Wanneer toch de uitleg wordt gevolgd dat ‘ongelovigen’ alle niet-christenen zijn, is het de vraag wanneer er sprake is van een ‘span’: een structurele verbinding van zaken die niet samen kunnen gaan. Mijns inziens gaat dit niet op voor een sportvereniging.
Een betere verklaring is, dat Paulus hier doelt op zijn niet-christelijke opponenten, die de gemeente tegen hem hebben opgezet. Deze opponenten komen in de hele brief voor (zie 11:4; 13-15; 23). Ook in 4:4 worden met ‘ongelovigen’ de opponenten van Paulus bedoeld. Deze mensen zijn bekend als zg. ‘sofisten’: rondtrekkende wijsheidsleraars die niet in Christus geloven, maar zich wel als ‘gelovigen’ presenteren. De vermaning van Paulus krijgt zo een heel duidelijk profiel in het geheel van de brief: geef geen gehoor aan zogenaamde gelovigen die verdeeldheid in de gemeente zaaien en de prediking van het evangelie door Paulus onmogelijk maken. De gemeente moet beseffen dat zij zelf de tempel van Christus is, en daarom niet afhankelijk is van menselijke wijsheid en slimme redeneringen. Alleen wie bij de Heer blijft, mag leven in zijn nabijheid.
In de overwegingen in hoeverre samenwerking mogelijk is met ongelovigen, spelen ook nog andere argumenten een rol. Een christen is geroepen om de vrede van de stad te dienen (1 Pet.3), maar moet zichzelf ook onbesmet van de wereld bewaren (Jak.1). Uit 2 Kor.6 kan niet de conclusie worden getrokken dat (kinderen van) christenen niet deel zouden mogen nemen aan een niet-christelijke sportvereniging. Andere motieven verdienen hierin wel overweging: – het ontwikkelen van talenten en verlangens; – de plaats van ontspanning en hobby in het leven; – de cultuur en sfeer binnen een sportvereni-ging; – de kosten in tijd en geld. Een verbod is minder vruchtbaar dan een goede begeleiding en betrokkenheid van ouders of zelfs medewerking als vrijwilliger.

Verwijst het water van Bethesda naar de doop?

Vraag:

Dag dominee,  

Op de vrouwenvereniging behandelen het bijbelboek Johannes. Bij hoofdstuk 5 : 1-18 het verhaal van de zieke van Betzata ( Bethesda) werd de vraag gesteld: Wijst het water van Bethesda ook naar de doop? Deze vraag kwam bij één van onze leden op bij het maken van voorstudie over dit bijbelgedeelte. Zelf konden we hier niet echt een antwoord op vinden.

Kunt u hier iets over zeggen?

met vriendelijke groet namens de vrouwenvereniging

Reactie:

Dag zusters,

Hartelijk dank voor uw vraag! Ik vind het altijd leuk om met een stukje bijbeluitleg aan het werk te gaan. In de eerste plaats beschrijft Joh.5:1-18 een belangrijk moment in de geschiedenis van Jezus. Deze genezing vormt de aanleiding voor de Joodse pogingen om Jezus te doden, omdat hij de sabbatswetten zou hebben geschonden. Het verhaal bepaalt heel hoofdstuk 5. Hierin is dus geen duidelijke verwijzing naar de doop. Als we wat meer in de gebeurtenis duiken, dan valt het nieuwe leven op, dat Jezus deze man geeft. Daar ligt wel een inhoudelijke verbinding met de doop, die immers ook verwijst naar het nieuwe leven. Het is echter niet het water dat voor dit nieuwe leven zorgt: de man heeft immers juist geen water nodig voor zijn genezing.

Bovenstaande lijkt dus een negatief antwoord op uw vraag: het water van Bethesda heeft geen verbinding met de christelijke doop.

Maar in de uitleg van dit gedeelte spelen nog wat grotere lijnen mee. Het is heel bijzonder om in de eerste hoofdstukken van Johannes de ‘water’-teksten naast elkaar te leggen. Water wordt verbonden aan het Woord, aan Christus, aan de Heilige Geest, aan het nieuwe leven. Dat geldt ook voor het water van Bethesda. Het zou goed kunnen dat Johannes juist deze uitspraken en gebeurtenissen van Jezus geselecteerd heeft, met de christelijke doop in zijn achterhoofd. De kerkvaders uit de eerste eeuwen verbinden daarom de betekenis van het water van Bethesda toch aan de doop. Het water staat voor Gods barmhartigheid en redding. Dat een engel het water moet aanraken, betekent dan dat God zelf het water van de doop krachtig moet maken. In de geschiedenis van de uitleg van deze gebeurtenis wordt soms ook de parallel getrokken met geschiedenis van Israël. De lamme staat dan symbool voor het volk dat geen gehoor geeft aan het evangelie. Men verwijst bijvoorbeeld naar de 38 jaar in Deut.2:14: de woestijntijd van Gods volk. Maar Jezus maakt duidelijk dat bij hem de redding begint, en niet door eigen werken. Hij is de ware betekenis van het water dat redding biedt. Deze grotere lijnen zijn altijd een beetje lastig te beoordelen. De een vindt ze aansprekend, de ander niet. In onze kerk en exegese wordt altijd primair gekeken naar de gebeurtenissen en uitspraken zelf. Met allerlei ‘diepere’ betekenissen zijn we wat terughoudender, omdat het niet altijd even overtuigend is. Soms lijkt het meer op inlegkunde dan op uitlegkunde.

Kortom: het water van Bethesda verwijst niet rechtstreeks naar de doop. Op de achtergrond zijn er wel lijnen te herkennen die iets laten zien van wat in de doop ook aan de orde is: water als symbool van redding en nieuw leven.

Met hartelijke groeten, Kees van Dusseldorp

Vraag: hoe zwaar weegt je ja-woord in de kerk?

Vraag:
Het viel me op dat je over de ja-woorden in de kerk zei: Ik hoor dat ook als een gebed tot God. Het voelde voor mij als een afzwakking. Is het niet vooral een belofte, waar je aan te houden bent? Als je het een gebed noemt, dan klinkt het anders.
Verder moest ik ook denken aan de ja-woorden van de ambtsdragers: Sommigen zeggen ja, maar doen nee: ze zijn wel ambtsdrager, maar vullen het nauwelijks in. En hoe zwaar weeg het ‘ja’ als er halverwege een ontheffingsvraag komt i.v.m. een cursus oid?

Reactie:
In de kerk wordt geen eed gevraagd, maar een ja-woord, juist vanwege Mat.5:37. In een eed ‘zo waarlijk helpe mij God almachtig’ roep je God er niet alleen bij als getuige, maar ook als hulp om je gelofte in te lossen. In het ja-woord in de kerk klinkt dat ook mee: beloften doe je nooit in eigen kracht. Maar tegelijk wel altijd gemotiveerd om je ervoor in te zetten. Die inzet, liefde en trouw mag van je gevraagd worden, ook bij het ja-woord bij huwelijk, geloofsbelijdenis of ambtsdragers-bevestiging. Tegelijk doen zich in de praktijk situaties voor dat mensen zich van hun belofte ontslagen weten. Daar is niet een algemene uitspraak over te doen, behalve dat ieder dit moet verantwoorden voor God en misschien ook voor de gemeente/kerkenraad aan wie de belofte immers ook gegeven is.
Ja-zeggen en nee-doen past een mens niet, een christen al helemaal niet. Hierin speelt vaak ook mee wat je van elkaar en van jezelf verwacht. Duidelijkheid daarover kan veel teleurstelling voorkomen. Je belooft niet alle gewoonten en verwachtingen uit te voeren. Je belooft wel je ambt trouw en christelijk te vervullen. Of een cursus een reden is om ontheffing te vragen, hangt van de situatie af. In de praktijk vinden ambtsdragers dit vaak niet eenvoudig. Toch komen verantwoordelijkheden soms in conflict met elkaar en moet er een keuze gemaakt worden.

Vraag: hoe kun je post sturen naar vervolgde christenen?

Vraag:

Hoe kun je post sturen naar vervolgde christenen, zonder dat zij daardoor gevaar lopen?

Reactie:

Ik heb dat voorgelegd aan Open Doors. Zij geven het volgende antwoord:

De post wordt nooit rechtstreeks naar de mensen gestuurd. dat gaat altijd via via. En als het veilig is krijgen zij de post. Niet in alle landen is het mogelijk om post te bezorgen omdat dat te gevaarlijk is. maar in die landen waar het wel kan doen wij dat dus op verschillende manieren zonder dat de mensen daardoor gevaar lopen.
Daarom mag op de kaart/tekening ook nooit een adres van de afzender staan, of Open Doors enz. op die manier blijven de kaarten veilig en vormen zij geen gevaar voor de vervolgde christenen.
Ik hoop dat de kinderen iets met dit antwoord kunnen. Goed van hen om dit na te vragen!

Vraag: waarom wordt de wet soms niet letterlijk voorgelezen?

Vraag:

Waarom wordt de wet soms niet letterlijk voorgelezen uit Ex.20 of Deut.5? Doet het geen afbreuk aan Gods Woord als voorgangers er zelf variaties bij bedenken?

Reactie:

Er zijn twee redenen om in de wetslezing af en toe andere woorden te gebruiken dan de letterlijke bijbeltekst. In de eerste plaats is variatie nodig om de wet echt te horen. Als je elke week dezelfde woorden hoort, hoor je uiteindelijk niets meer. Dat is dodelijk voor de wet! In de tweede plaats is de wet op sommige punten toegesneden op de tijd van Israel in het Oude Verbond. Bijna niemand heeft meer een rund of ezel, wij houden niet de sabbat maar de zondag als rustdag en men gebruikt in onze cultuur geen afgodsbeel-den. Bovendien hebben de geboden in Jezus Christus een veel diepere klank gekregen. We leven immers in een nieuwe fase van de verbondsgeschiedenis. Er zitten best wat schakels tussen de tekst van de wet en ons leven. Een ervaren kerkganger maakt deze vertaalslag bijna automatisch. Maar voor jongeren en onervaren gelovigen is het niet direct duidelijk. Ze ervaren het als verwarrend of zelfs vervreemdend.

Hier komt nog iets bij: de lezing van de tien geboden is pas vanaf de Reformatie (16e eeuw) een vast onderdeel in de liturgie. Natuurlijk was de grondwet van het verbond bekend en werd er ook regelmatig onderwijs uit gegeven. In de liturgie had de schuldbe-lijdenis altijd wel een vaste plek. In de gereformeerde eredienst werd de wetslezing ge-bruikt om aan de zonden te ontdekken. Men gebruikte overigens de wet ook wel in haar tweede functie: als oproep om heilig te leven. Tegenwoordig gebeurt dit door de wet soms aan het einde van de dienst een plaats te geven.

Dat de tien geboden ook vandaag een belangrijke plaats innemen in het leven met God, staat buiten kijf. Bij de Sinaï markeerde de wet de verbondssluiting met God. Omdat elke kerkdienst op zondagmorgen de vorm heeft van verbondsvernieuwing (roeping, schuld-belijdenis, genadeverkondiging, vernieuwing, lofprijzing), past de wetslezing daar goed.
Dit maakt ons terughoudend om de wet te vervangen of te veranderen. Ook al, omdat God zelf deze woorden heeft opgeschreven. Tegelijft bestaat het risico van eentonigheid en vervreemding. Daarom kiezen veel voorgangers ervoor soms enige variatie aan te brengen in de wetslezing. Hiervoor is een aantal mogelijkheden:
– de wet uitleggend weergeven, eventueel een gebod eruit lichten
– de wet vereenvoudigen voor bv kinderen of een aangepaste dienst
– laten horen hoe de wet in Christus klinkt (er is een aantal versies ontwikkeld)
– andere bijbelgedeelten lezen die dezelfde functie hebben: om kerkgangers aan zonden te ontdekken of aanwijzingen te geven voor het nieuwe leven
– de wet in een berijming laten zingen

Al deze variaties hebben voor- en nadelen. Maar ze zijn bedoeld om de wetlezing levend te houden en de kracht van Gods wet niet uit te hollen. Want in de tien woorden spreekt God zelf ons aan.

Vraag: Wat is een reidans?

Vraag:

Wat is een reidans (Ps.150:4)?

Reactie:

Een reidans is een rondedans of kringdans. De deelnemers hebben elkaar soms bij de hand, soms ook niet en maken dezelfde bewegingen. Ze lopen linksom of rechtsom, stappen in of uit, maken een sprong of een draai. Het is een volksdans: iedereen doet mee. Er is dus geen ‘optreden’ of zo, maar een uiting van blijdschap. Zo komt het in de Bijbel ook voor (Ex.15; Recht.11; 1 Sam.18). Overigens komen dansen in de Bijbel niet voor als onderdeel van de tempeldienst.

Vraag: Waarom staan er geslachtsregisters in de Bijbel?

Vraag:

Waarom staan er geslachtsregisters in de Bijbel?

Reactie:

De meest voor de hand liggende reden is, dat de geschiedschrijvers van Israël deze lijsten hebben opgenomen, omdat men dat gewend was in die tijd. Elke tijd heeft immers eigen gewoonten in de beschrijving van de historie. Wij zouden zulke lijsten misschien in bijlagen stoppen.
Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord. Want we belijden immers dat de Bijbel Gods Woord voor ons is (2 Tim.3:16). Wat is de boodschap van de geslachtsregisters voor ons?
– Soms worden geslachtsregisters met een duidelijke bedoeling opgenomen. Zoals in Matteus 1 en Lukas 3, waar het doel duidelijk is om de stamboom van Jezus te laten zien. Zodat iedereen weet dat Jezus echt de drager is van de beloften van God. In sommige namen zit soms ook nog weer een speciale boodschap (zoals bij Tamar of Batseba in Mat.1).
– De lijsten maken duidelijk dat de bijbelse geschiedenis echt gebeurd is. Er zijn aanwijsbare namen en gebeurtenissen aan verbonden.
– In het opnemen van de lijsten proef je ook iets van Gods aandacht voor mensen. Hij is betrokken bij individuele mensen. Volkstellingen gebeurden soms zelfs in Gods opdracht (Num.1; Ex.30). Met diezelfde zorg zullen de lijsten in het boek van het leven samengesteld zijn!
– De namen geven soms ideeën voor een mooie jongens- of meisjesnaam (volgens de catechisanten).

Vraag: Is de stamboom van Matteus 1 wel die van Jezus?

Vraag:

Het geslachtsregister waar het deze zondagmorgens over gaat is dat van Jozef. Maar Jozef is niet letterlijk de vader van Jezus. Wat is dan de waarde van deze stamboom voor Jezus?

Reactie:

Inderdaad geeft Mat.1 het geslachtsregister van Jozef. Omdat Jozef Jezus ‘adopteerde’, geldt Jezus als zijn wettelijke zoon en erfgenaam. Het eerstgeboorterecht, de zegen, de belofte die aan Jozef verbonden waren, kwamen daarom op Jezus. Waarschijnlijk is overigens ook Maria uit Davids geslacht geweest. Sommige teksten lijken erop te wijzen dat Christus ook naar het vlees uit de stam van Juda en het geslacht van David was (Heb.7:14; Rom.1:3).
Maar beslissend is de juridische lijn. Jezus droeg niet biologisch, maar wel juridisch de stamboom van zijn vader Jozef. Daarmee droeg hij ook de geestelijke erfenis en mag hij beschouwd worden als het beloofde nageslacht van Abraham en de troonopvolger van David.
Er zijn rond het geslachtsregister van Matteus best historische vragen te stellen. Wat wilde Matteus hiermee duidelijk maken? Hij geeft in vogelvlucht een overzicht van de geschiedenis tussen Abraham en Jezus: een lange weg. Matteus wil ook duidelijk maken hoe de geschiedenis wachtte op de Messias. Zeker de bijzondere aandacht voor de ballingschap wordt daardoor verklaard: het fiasco van Israël en de zonden van het volk roepen om een Verlosser. En Matteus wil ook duidelijk maken hoe in Jezus de bijzondere beloftelijn Abraham – Juda – David tot vervulling komt.